De geest met de bolhoed

Het was zo’n zonnige herfstdag geweest waarop de bladeren op goud lijken.
Zij had die ochtend een mooie wandeling gemaakt. De rest van de dag was ze binnen gebleven. Ze had eventjes piano willen spelen, maar de muziek had haar meegenomen. Toen ze weer opkeek was het al avond.

Het eerste dat ze zag, was een man. Hij was lichtgevend wit en droeg een bolhoed.
‘Goedenavond,’ zei hij. Daarbij gaf hij een tikje tegen zijn hoed.
‘Goedenavond meneer,’ antwoordde ze. ‘Mag ik u vragen om niet op mijn piano te zitten? Ik wil niet onbeleefd zijn, maar op een piano zitten, dat hoort eigenlijk niet.’
‘Schrik niet,’ zei de man.
Maar zij was te oud om te schrikken. Op een dag had ze zich voorgenomen om nergens nog schrik van te hebben. Net zoals ze zich op een dag had voorgenomen om elke dag een stukje taart te eten.
‘Ik ben een geest,’ zei de man. ‘Je mag drie wensen doen.’
Iets in die mededeling maakte haar opstandig. Haar hele leven hadden anderen haar proberen wijs te maken dat ze moest verlangen naar meer. Naar beter. Naar duurder. Naar dunner. Pas toen ze gestopt was met daar naar te luisteren, had ze de echte klank van haar piano ontdekt.
‘Dank u, meneer,’ zei ze, ‘maar ik heb niets nodig.’ Ze had het vriendelijk proberen te laten klinken, maar de teleurstelling op het gezicht van de geest was duidelijk.
‘Laat me wat voor u spelen,’ zei ze.

Ze speelde een lied over de zon op de ruiten. Over hoe mooi bomen zijn, ook al worden ze kaal. En over gaan liggen op bed, en hoe fijn het dan voelt als je hoofd wegzakt in het kussen.
Toen ze stopte, was de geest weg. Ze kleedde zich uit, zag haar benige lijf in de spiegel, en ging liggen op bed.

(Me voorstellend wat voor iemand ik wil zijn als ik oud ben, schreef ik dit stukje.)

Share and Enjoy

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS

Reacties zijn gesloten.